Armoede uitbannen begint met kansen geven

8792

Handelsinitiatieven moeten verder gaan dan het ‘laaghangende fruit’, zo vindt Supply & Development Manager Jos Harmsen. Ze zouden zich meer op kleine boeren en kwetsbare producenten moeten richten.

Onderzoekers van Universiteit Nijmegen concludeerden dat Fairtrade zich vooral richt op relatief arme boeren in afgelegen gebieden, die voor hun inkomsten geen andere optie hebben dan koffie verbouwen. Die certificering levert de boeren juist in het begin aantoonbaar de meeste voordelen op. Is een gebied meer geïntegreerd in de economie van een land, dan zijn die voordelen minder uitgesproken.  

Dit doet me denken aan mijn bezoek aan de koffiecoöperatie ACPCU in Oeganda, een halve dag rijden van de hoofdstad Kampala. De Ankole Coffee Producers Cooperative Union moet het soort organisatie zijn geweest dat de onderzoekers voor de geest hadden toen ze hun bevindingen opschreven. De boeren daar leven ver van de bewoonde wereld met slechte, onverharde wegen. Ze zijn afhankelijk van opkopers die met hun pick-ups langskomen om de koffie tegen lage prijzen af te nemen, zelfs als de bessen nog groen aan de struiken hangen.

Oeganda had vroeger coöperaties, maar die waren opgelegd door de overheid die aan de koffiehandel zelf het meest verdiende. Logisch dat de meeste coöperaties met de liberalisering in de jaren ’90 van de vorige eeuw uiteenvielen. Nieuwe initiatieven kwamen van buiten, maar sloegen nauwelijks aan. Boeren hadden er genoeg van dat anderen hen oplegden wat ze moeten doen. Maar al snel hadden ze ook in de gaten dat ze in deze chaotische periode met een grote toestroom van handelaren niet beter af zijn en dat nieuwe samenwerking onontbeerlijk is, nu op initiatief van henzelf.   

Boeren in Ankole sloten zich begin deze eeuw aaneen en richtten een paar jaar later ACPCU op, een koepel van een tiental coöperaties. Terwijl de koffiesector in een zware crisis verkeerde met uiterst lage prijzen en een slechter wordende koffiekwaliteit, hielden deze boeren de organisaties overeind met betere prijzen en een premie voor hun onder Fairtrade verkochte robustakoffie. Werkend voor Max Havelaar heb ik de overlevingsstrijd van die boeren en hun eerste stappen van samenwerking van nabij mogen meemaken.

Na een lange tijd bezocht ik ACPCU, inmiddels zo’n 9000 boeren, vorig jaar opnieuw. Ik werd ontvangen in een splinternieuwe fabriek. Met Fairtrade premiegeld was deze in 2015 in gebruik genomen. De boeren doen nu niet alleen de eerste verwerking na de oogst, maar maken de koffie in deze fabriek ook volledig klaar voor de export, inclusief selectie op kwaliteit, grootte en kleur. De organisatie verzorgt zelfs de volledige eigen export via de haven van Mombasa in Kenia. ACPCU heeft ook het plan om koffie te gaan opslaan in Europa, om van daaruit klanten en koffiebranderijen snel en direct van koffie te kunnen voorzien. Dit plan krijgt inmiddels al steeds meer vorm.

Veel handelsinitiatieven zoeken voor hun producten een gemakkelijk weg: betergesitueerde boeren, dichtbij de haven, in de buurt van steden, langs verharde wegen. Een publicatie van de evaluatiedienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken concludeert dat steunprogramma’s verder moeten gaan dan dit zogenaamde ‘laaghangend fruit’. Ze zouden zich meer op kleine boeren en kwetsbare producenten moeten richten. Voorwaarde is wel, zo bewijst de situatie in Oeganda, dat boeren de kans krijgen zelf de controle te houden en het niet van buitenaf opgelegd krijgen. Het vereist bovendien dat ze hun producten moeten kunnen afzetten tegen structureel kostendekkende prijzen. Armoede aanpakken vereist investeren en dat vraagt nu eenmaal geld. Om boeren die investeringsruimte uiteindelijk ook inderdaad te bieden, moeten prijzen in de hele keten daarop worden afgestemd. Tot de prijs van het product in de winkel toe. De verafgelegen boeren van ACPCU in Oeganda bewijzen dat het werkt.